Huisinstallatie

Elektrische installatie woningbouw & utiliteit

Het "Hart" van een elektrische installatie is de groepenkast met al haar eindgroepen plus beveiliging! In een huisinstallatie worden de aansluitpunten verdeeld over eindgroepen. 

Een eindgroep is een leiding, die vanuit de meterkast naar de diverse aansluitpunten gaat, zoals verlichting, lampen, wandcontactdozen en dergelijke, om deze van spanning te voorzien. Wordt een eindgroep in de meterkast uitgeschakeld, dan doen alle toestellen die die op deze eindgroep zijn aangesloten het niet meer.

De toestellen die aangesloten zijn op een eindgroep, staan allemaal parallel geschakeld.We kunnen ons afvragen: Mag er een onbeperkt aantal toestellen (dus vermogen) op een eindgroep aangesloten worden? 

Het antwoord is NEE! 

Er moet rekening worden gehouden met de grootte van de totaal stroom die uiteindelijk door de leiding (draad) vloeit. In de meeste installaties zijn meerdere toestellen aangesloten op één eindgroep. Voor het berekenen van de totaalstroom, moet eerst per toestel de opgenomen stroom worden berekend. De totaalstroom wordt gevonden door de deelstroom op te tellen. Om veiligheidsredenen mogen eindgroepen niet te zwaar belast worden, anders gezegd; er mag niet teveel stroom door de draad vloeien. Kortom, het maximaal aan te sluiten vermogen is beperkt per eindgroep! 

Wordt er te veel vermogen aangesloten, dan vloeit er teveel stroom door de draad, waardoor deze warm wordt, en de isolatie rondom de draad zelfs kan gaan smelten. Het gevolg kan zijn; korstsluiting (brand). In de NEN 1010, het voorschriftenboek van elektrische installaties, is een overzicht gegeven van de maximale stroom die door een installatiedraad mag vloeien. Voor een installatiedraad met een doorsnede van 2.5 mm2 is dit afhankelijk van het aantal draden in een buis; 

  • bij 2 draden is de maximale stroom per draad 24A
  • bij 3 draden is de maximale stroom per draad 21A
  • bij 4 draden is de maximale stroom per draad 19A
     

Kleurgebruik

Draadtype Symbool Internationaal België Nederland

Nederland
tot 1970

Fasedraad L Bruin Bruin of rood Bruin Groen
Fasedraad
(drie fasen)
L1,L2,L3 Bruin, zwart of grijs Bruin, zwart of grijs Bruin, zwart of grijs Groen, zwart of blauw
Nuldraad T Lichtblauw Lichtblauw Lichtblauw Rood
Schakeldraad N Niet lichtblauw of tweekleurig Zwart Zwart Zwart
Aarddraad   Geel-groen Geel-groen Geel-groen Grijs of wit

Om te voorkomen dat door een installatiedraad teveel stroom gaat vloeien, wordt een veiligheid ingebouwd aan het begin van een eindgroep. Deze veiligheid kan een smeltpatroon (vaak STOP genoemd) of een installatieautomaat zijn. De maximale toegestane stroom staat op de smeltpatroon of installatieautomaat aangegeven. Staat er op een installatieautomaat 10A, dan betekent dit dat er een totaal vermogen aangesloten mag worden van: P= U.I   P= 230. 10 = 2300W

Wordt er meer vermogen aangesloten dan 2300W, dan wordt de totaal stroom te groot. Dit heeft als gevolg dat de smeltdraad in de smeltpatroon doorbrandt en de eindgroep wordt uitgeschakeld. Een installatieautomaat schakelt ook uit als de stroom te groot wordt, maar heeft als voordeel dat deze zo geconstrueerd is dat deze na afkoeling weer hersteld kan worden en dus niet vervangen hoeft te worden.

Huisinstallatie 2

We zullen nu verder ingaan op de huisinstallatie en zullen de veiligheidsaarding, de aardlekschakelaars en de voorschriften voor de badkamer nader bestuderen. Huisinstallaties worden in de regel geaard op een aardeleketrode. Men gebruikt hiervoor koperen staven of gegalvaniseerde buizen onder de grond. Aardstaven hebben een minimale diameter van 12mm en aardbuizen een diameter van tenminste 25mm met een wanddikte van 2,5 mm. Indien mogelijk moeten deze buizen tot in het grondwater reiken. De aardverspreidingsweerstand 'Ra' moet voldoen aan de vereiste normen. 

Aarden op de waterleiding is door het gebruik van kunststof waterleidingbuizen niet meer toegestaan. De aardstaven of aardbuizen zijn via de aardleiding verbonden met een hoofdaardrail in de meterkast. Aan de hoofdaardrail is de beschermingsleiding(vroeger aardleiding genoemd) verbonden, welke op zijn beurt naar de aardrail in de groepenkast gaat. Vanaf de aardrail in de groepenkast loopt in de groepsleiding een beschermingsleiding, als afzonderlijke draad, mee naar de nuldraad en de fase-en/of schakeldraden.

De beschermingsleiding wordt aangesloten op het beschermingscontact van de wandcontactdozen. Bij vast aangesloten toestellen wordt de beschermingsleiding op het metalen frame of gestel van het toestel aangesloten. Toestellen die dubbel geïsoleerd zijn, worden niet aangesloten op de veiligheidsaarding. Bij deze toestellen kan het gestel immers nooit onder spanning komen. 

Aardfoutstroom 
De hiervoor beschreven wijze van beveiliging, geeft een behoorlijke beveiliging, zowel voor vast opgestelde toestellen als voor verplaatstbare toestellen. De kans is echter aanwezig dat bij draadbreuk of, nog waarschijnlijker, bij losse contacten, de beschermingsleiding toevallig als eerste wordt onderbroken. In zo'n geval is het toestel zonder dat men dat bemerkt onbeschermd. Treedt er nu een aardfout op waarbij fase-, of schakeldraad in aanraking komen met metalen delen van het toestel, (bijvoorbeeld strijkijzer, wasmachine, snelkoker en dergelijke) dan kan aanraking fataal zijn. Komt  het gestel van het defecte toestel met een waterleiding of een cv-radiator in contact, dan zal aanraking zo goed als zeker fatale gevolgen hebben.

Aardlekschakelaar
Om het aantal ongelukken met elektriciteit drastisch te beperken, moeten in nieuw aan te brengen installaties in woonhuizen, aardlekschakelaars als aanvullende bescherming worden geplaatst. Aardlekschakelaars worden ook wel differentiaalschakelaars genoemd, omdat ze op een stroomverschil schakelen. Een aardlekschakelaar schakelt automatisch uit als een te grote lekstroom (aardfoutstroom) naar de aarde wegvloeit.

Smeltveiligheid 

Smeltveiligheid is de formele naam voor een elektrische zekering die in de volksmond ook wel stop of plomb (Vlaanderen) wordt genoemd. Wanneer deze in verdeelinrichting of in woningen wordt toegepast, wordt deze ook wel stoppenkast genoemd.

Smeltveiligheden komen voor in veel elektrische apparatuur, in auto's en in woonhuizen, al vindt men daar tegenwoordig meestal zekeringautomaten naast aardlekschakelaars / verliesstroomschakelaars. 

Zekeringen kunnen in 3 grote "hoofdgroepen" worden ingedeeld;

  • hoogspanning, hoofdzakelijk beheerst door VDE 0670
  • laagspanning, hoofdzakelijk beheerst door VDE 0636
  • apparaatzekeringen, (ten onrechte vaak glaszekeringen genoemd) hoofdzakelijk beheerst door VDE 0820

Werking
Een smeltveiligheid bestaat uit een elektrisch geleidende band of draad van koper, zilver of (wanneer het kleine stroomsterktes betreft) van een koperlegering. Meestal zit deze draad in een gesloten huis van keramiek (steatit) of voor kleine zekeringen in glas of kunststof dat vaak gevuld wordt met een blusmiddel (bijv. zand).

Gekleurde verklikker
Achteraan de smeltveiligheid zit de verklikker met daarachter een klein veertje. De verklikker is gekleurd, zodat de gebruiker kan zien voor welke maximale stroom hij geschikt is.

Kleur Maximale stroom
Roze 2 ampère
Bruin 4 ampère
Groen 6 ampère
Rood 10 ampère
Grijs 16 ampère
Blauw 20 ampère
Geel 25 ampère
Zwart 35 ampère
Wit 50 ampère
Koper 63 ampère

In Nederland is 16 ampère de grootste stroom die gebruikt mag worden in woonhuizen, hogere smeltveiligheden zijn niet toegestaan.

Zodra om welke reden dan ook een te grote stroom gaat lopen, bijvoorbeeld door kortsluiting, wordt door de elektrische weerstand de geleidende draad zodanig verhit dat deze smelt. Hierdoor wordt het elektrisch contact verbroken en het veertje achter de verklikker drukt deze naar buiten zodat meteen te zien is dat de zekering is doorgebrand. De stroomsterkte waarbij dit gebeurt (de zgn. "aanspreekstroom") is minstens 6% hoger dan de stroomwaarde die is aangegeven op de smeltveiligheid zelf.

Aanduidingen op zekeringen

Voorbeelden

  • TT 250/0,1: dit is een supertrage zekering voor een nominale stroom van ten hoogste 0,1 ampère en een maximale spanning van 250 volt.
  • T 250/1,6A: dit is een "trage" zekering (reageert niet op kortstondige overbelasting) voor maximaal 250 volt, die bedoeld is om continu een stroom van maximaal 1,6 ampère te laten vloeien en bij overschrijding van deze stroom gedurende een bepaalde tijd te reageren.
  • M 250/0,5A: dit is een "middeltrage" zekering voor maximaal 250 volt. Het aanspreekgedrag zit tussen de trage en de snelle karakteristiek in.
  • F 250/300mA: dit is een "snelle" zekering voor maximaal 250 volt en stromen niet hoger dan 300 mA.
  • FF 250/62mA: dit is een "supersnelle" zekering voor maximaal 250 volt en stromen niet hoger dan 62 mA, speciaal voor elektronische regelaars.

De standard IEC 60127 voorziet 4 types van zekeringen: FF, F, T, TT. Ieder type is gedefinieerd volgens de tijd nodig om 10x de nominale stroom uit te schakelen.

  • FF (very Fast), < 1 ms
  • F (Fast), 1-10 ms
  • T (SlowBlow), 10-100 ms
  • TT (Very slow acting), 100 ms - 1 s

We maken in het algemeen onderscheid tussen 3 types zekeringen;

  • Type A: zekering ultra-snel voor de bescherming van halfgeleiders.
  • Type B: zekering voor algemeen gebruik (zekering gG)
  • Type C: zekering motoren (zekering aM), wordt gebruikt om motoren te beschermen tegen kortsluiting.
Klus aanmelden of meer informatie?